Een bombardement is een aanval waarbij explosieven, brand- of clusterbommen vanuit de lucht of via artillerie op een doelgebied worden afgeworpen of afgevuurd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het bombardement een van de meest ingrijpende vormen van oorlogsvoering, met verstrekkende gevolgen voor steden, infrastructuur en burgerbevolking.
Aan het begin van de oorlog zette Duitsland bombardementen in als instrument van terreur en snelle verovering. Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 is het meest pregnante Nederlandse voorbeeld. In enkele minuten werd het stadscentrum verwoest en kwamen circa 900 mensen om het leven. De aanval dwong Nederland tot capitulatie. Het bombardement op Rotterdam toonde hoe luchtaanvallen niet alleen militaire doelen raakten maar hele steden konden uitwissen en burgerbevolkingen konden breken.
Later in de oorlog namen de geallieerden het initiatief in de lucht. Britse en Amerikaanse bommenwerpers voerden vanaf 1942 grootschalige aanvallen uit op Duitse industriesteden, spoorwegknooppunten, olieraffinaderijen en militaire installaties. Ook in bezet Nederland vielen bommen, soms gericht op strategische doelen zoals vliegvelden, spoorlijnen en havens, maar lang niet altijd met de gewenste precisie. Woonwijken, ziekenhuizen en scholen werden soms per ongeluk getroffen, met grote burgersslachtoffers als gevolg.
Het bombardement op het Bezuidenhout in Den Haag op 3 maart 1945 is een pijnlijk voorbeeld. Geallieerde vliegtuigen die een V2-lanceerinstallatie wilden uitschakelen, misten hun doel en troffen een dichtbevolkte woonwijk. Meer dan 500 burgers kwamen om het leven en duizenden raakten dakloos. Dit soort incidenten illustreert het dilemma waarmee geallieerde planners worstelden: hoe militaire doelen te vernietigen zonder massale burgerschade aan te richten in een bezet en bevriend land.
Voor de burgerbevolking betekenden bombardementen een alledaagse realiteit van angst en onzekerheid. Luchtalarms, schuilkelders, verduistering en de constante dreiging van vallende bommen maakten deel uit van het dagelijks leven onder bezetting. Tegelijk waren geallieerde vliegtuigen boven bezet Nederland ook een teken van hoop, een bewijs dat de oorlog voortging en dat bevrijding naderbij kwam.
Bombardementen verwoestten ook infrastructuur die na de bevrijding moeizaam moest worden hersteld. Bruggen, wegen en spoorlijnen lagen in puin, wat de bevoorrading van de bevolking en de opmars van bevrijdende troepen bemoeilijkte. Noodbruggen en tijdelijke constructies waren onmisbaar om de schade te overbruggen en het leven weer op gang te brengen.