Een distributiekantoor was tijdens de Tweede Wereldoorlog een lokale overheidsinstantie die verantwoordelijk was voor de uitgifte en administratie van distributiekaarten en bonnen. Via deze kantoren kregen burgers toegang tot schaarse goederen zoals voedsel, kleding, brandstof en andere dagelijkse benodigdheden. In bezet Nederland speelde het distributiekantoor een centrale rol in het dagelijks leven, omdat veel producten alleen nog verkrijgbaar waren met geld én de juiste distributiebonnen.
Het Nederlandse distributiesysteem bestond al vóór de Duitse bezetting, maar werd tijdens de oorlog steeds belangrijker naarmate schaarste toenam. Oorlogsomstandigheden, beperkte importmogelijkheden, vorderingen door de bezetter en verstoringen van transportnetwerken zorgden ervoor dat de beschikbaarheid van goederen afnam. Om de beschikbare voorraden zo eerlijk mogelijk te verdelen, werden distributiekaarten uitgegeven via lokale distributiekantoren.
Voor veel Nederlanders betekende een bezoek aan het distributiekantoor een vast onderdeel van het leven tijdens de oorlog. Hier werden nieuwe bonkaarten verstrekt, wijzigingen in gezinssamenstellingen verwerkt en vervangende documenten aangevraagd. De kantoren hielden nauwkeurige registraties bij van inwoners en hun recht op bepaalde goederen. Daardoor vormden zij een belangrijk onderdeel van de administratieve organisatie achter de voedselvoorziening en andere vormen van distributie.
Distributiekantoren kregen ook een bijzondere betekenis voor mensen die moesten onderduiken. Onderduikers beschikten vaak niet over officiële distributiekaarten, waardoor zij afhankelijk waren van hulp uit het verzet. Verzetsgroepen probeerden distributiebescheiden te verkrijgen via vervalsing, diefstal of geheime contacten binnen distributiekantoren. In sommige gevallen werkten medewerkers bewust mee aan het verstrekken van extra kaarten aan mensen die zich verborgen hielden voor de bezetter. Daarmee konden distributiekantoren een onverwachte rol spelen in het ondersteunen van verzet en onderduik.
De werkzaamheden van distributiekantoren laten zien hoe sterk oorlog samenhing met logistiek en organisatie. Het uitdelen van voedselbonnen was alleen zinvol wanneer er voldoende transport, opslag en bevoorrading beschikbaar waren. Wanneer spoorlijnen werden beschadigd, bruggen vernield of voorraden uitgeput raakten, kwam ook het distributiesysteem onder druk te staan. Dit werd vooral zichtbaar tijdens de Hongerwinter van 1944-1945, toen de voedselvoorziening in grote delen van Nederland ernstig verslechterde.
Voor oorlogsmusea vormen distributiekantoren een belangrijk onderwerp omdat zij duidelijk maken hoe de oorlog het dagelijks leven van burgers beïnvloedde. Ze laten zien hoe schaarste werd beheerd, hoe overheden probeerden voedsel en goederen te verdelen en hoe mensen soms creatieve of risicovolle oplossingen zochten om te overleven. Het verhaal van het distributiekantoor gaat daardoor niet alleen over administratie, maar ook over keuzes, afhankelijkheid, verzet en de menselijke gevolgen van bezetting.