Een verdeelpunt was tijdens de Tweede Wereldoorlog een aangewezen locatie waar voorraden, munitie, brandstof of andere militaire goederen werden overgedragen van de logistieke keten aan de eenheden die ze direct nodig hadden. Het was de laatste schakel voor het front, het punt waar de grote stroom van goederen die vanuit havens en depots was aangevoerd werd opgesplitst in de kleinere hoeveelheden die individuele compagnieën, pelotons en batterijen dagelijks nodig hadden.
De organisatie van een verdeelpunt was een precisietaak die weinig ruimte liet voor fouten. Eenheden kwamen op vaste tijdstippen langs om hun toegewezen hoeveelheden op te halen, administrateurs registreerden wat er was uitgedeeld en voorraadmedewerkers hielden bij wat er nog beschikbaar was en wanneer aanvulling nodig was. Die administratieve nauwkeurigheid was in vredestijd al een uitdaging maar in de dynamische omgeving van een bevrijdingsopmars, waarbij eenheden voortdurend van positie wisselden en de behoeften van dag tot dag veranderden, vroeg zij een flexibiliteit en improvisatievermogen dat niet in handboeken stond beschreven.
Bij de bevrijding van Nederland werden verdeelpunten aangelegd op locaties die bereikbaar waren voor zowel de aanvoerende transportcolonnes als de ontvangende frontlinie-eenheden. Boerenerven, dorpspleinen en wegkruispunten dienden als tijdelijke verdeelpunten waar vrachtwagens hun lading afzetten en eenheden hun toegewezen voorraden ophaalden. De keuze van die locaties was een dagelijkse logistieke puzzel: te dicht bij de frontlinie betekende gevaar voor de verdeelpuntmedewerkers en de wachtende eenheden, te ver weg betekende extra transporttijd die het tempo van de operaties vertraagde.
Voor de Nederlandse burgerbevolking die in de buurt woonde van een verdeelpunt was de aanwezigheid ervan een gemengde ervaring. De constante stroom van militaire voertuigen en de drukte van een actief verdeelpunt brachten lawaai en soms schade aan wegen en gebouwen. Maar zij brachten ook contact met de bevrijders en de mogelijkheid van informele uitwisseling waarbij militaire rantsoenen, sigaretten en chocolade hun weg vonden naar uitgehongerde Nederlandse gezinnen die niets meer te ruilen hadden dan hun dankbaarheid.