In de laatste maanden van de bezetting, tussen september 1944 en mei 1945, veranderde de Duitse landmacht in Nederland van een zelfverzekerde bezettingsmacht in een organisatie die langzaam uiteenviel onder de druk van militaire nederlagen, gebrek aan voorraden en het groeiende besef dat de oorlog verloren was. Die ineenstorting voltrok zich niet plotseling maar geleidelijk, zichtbaar in de houding van de soldaten die door Nederlandse straten liepen en in de manier waarop de bezetting haar grip op het dagelijks leven begon te verliezen.
Voor de gewone Duitse soldaat die in het najaar van 1944 in Nederland gelegerd was, was de situatie fundamenteel veranderd vergeleken met de vroege bezettingsjaren. De zelfverzekerdheid van 1940, toen de Wehrmacht in vijf dagen een heel land had veroverd, had plaatsgemaakt voor een nerveuze waakzaamheid die door de snel veranderende situatie aan alle fronten werd gevoed. Berichten over de geallieerde opmars in het zuiden, over de Russische opmars in het oosten en over de bombardementen op Duitse steden bereikten de soldaten via officiele kanalen maar ook via geruchten en clandestiene radioluisterpogingen die de officiële propaganda weerlegden.
De discipline binnen de German landmacht in Nederland bleef formeel intact maar begon op plaatsen te scheuren. Desertie nam toe naarmate de oorlog vorderde, en soldaten die de mogelijkheid zagen om zich af te zonderen van hun eenheid maakten daar soms gebruik van. Anderen groeven zich letterlijk in, hielden zich vast aan hun posities langs de rivieren en wachtten op orders die steeds minder coherent werden naarmate de communicatielijnen met het hogere commando werden verstoord.
Voor de Nederlandse bevolking was die verandering in de bezetter zichtbaar en voelbaar. Soldaten die vroeger zelfverzekerd door de straten liepen, leken nu minder zeker van zichzelf. Controleposten werden soms minder strikt bemand, en de alomtegenwoordige aanwezigheid van de bezetter begon op plaatsen dunner te worden. Die verschuiving gaf de bevolking een voorzichtig gevoel dat het tij was gekeerd, maar ook de wetenschap dat een gewonde vijand gevaarlijk kon zijn en dat de bevrijding nog bloedige offers zou vragen voordat zij een feit was.