Een mortier is een steil-vurend artilleriewapen dat granaten in een hoge boogbaan afvuurt, zodat ze van bovenaf neerkomen op doelen die achter dekking of bebouwing zijn verscholen. Het wapen bestaat in zijn eenvoudigste vorm uit een buis, een steunplaat en een tweepoot, en kan door een kleine bemanning van twee tot drie man worden bediend en verplaatst. Die combinatie van eenvoud, mobiliteit en vuurkracht maakte de mortier tijdens de Tweede Wereldoorlog tot een van de meest gebruikte en gevreesde infanteriewapens.
Het grote voordeel van de mortier ten opzichte van reguliere artillerie was de mogelijkheid om doelen te bestrijden die voor vlakbaanwapens onbereikbaar waren. Soldaten die zich verschanst hadden achter een muur, in een loopgraaf of in een gebouw, waren kwetsbaar voor mortiervuur dat van bovenaf neerkwam. In de strijd door bebouwd gebied, die bij de bevrijding van Nederlandse steden en dorpen regelmatig voorkwam, was de mortier daarom een cruciaal wapen aan beide kanten van het front.
Bij de bevrijding van Nederland in 1944 en 1945 werd de mortier intensief ingezet. Canadese, Britse en Amerikaanse infanterie-eenheden gebruikten mortieren om Duitse stellingen te neutraliseren voordat ze een aanval inzetten. De Duitsers deden hetzelfde om de oprukkende geallieerden te vertragen. Voor de burgerbevolking in de omgeving van gevechtshandelingen was mortiervuur een van de meest bedreigende ervaringen van de bevrijding. Anders dan een geweerschot gaf mortiervuur nauwelijks waarschuwing: het geluid van een afgevuurde granaat was kort en het inslaan volgde snel, waardoor schuilen de enige optie was.
De mortier was ook logistiek aantrekkelijk. Het wapen kon snel worden opgesteld en verplaatst, zonder de zware transportmiddelen die voor grote artilleriestukken nodig waren. Munitie was relatief compact en kon door infanteristen zelf worden meegedragen. In het Nederlandse polderlandschap, waar wegen smal waren en bruggen niet altijd zwaar genoeg om groot materieel te dragen, was die mobiliteit een belangrijk voordeel.
In museale collecties over de bevrijding duikt de mortier op als een van de meest kenmerkende infanteriewapens van de Tweede Wereldoorlog, een wapen dat de grens tussen frontlinie en burgerleven op een directe manier deed vervagen.