De Lee-Enfield was het standaard infanteriegeweer van de Britse en Canadese strijdkrachten tijdens de Tweede Wereldoorlog en een van de meest betrouwbare en geliefde militaire geweren uit de geschiedenis. Het wapen had zijn oorsprong in de late negentiende eeuw en werd gedurende tientallen jaren voortdurend verder ontwikkeld. De versie die tijdens de Tweede Wereldoorlog het meest werd gebruikt was de No.4 Mk I, een verbeterde en vereenvoudigde uitvoering die sneller te produceren was dan zijn voorganger zonder in te leveren op betrouwbaarheid.
Het onderscheidende kenmerk van de Lee-Enfield was het tienpatronen magazijn, het grootste van alle standaard infanteriegeweren van de Tweede Wereldoorlog. Gecombineerd met de soepele en snelle grendelbediening konden getrainde schutters met een Lee-Enfield vijftien of meer gerichte schoten per minuut afvuren, een vuursnelheid die voor een handmatig herladen geweer uitzonderlijk was. Die eigenschap was in de praktijk van de infanteriestrijd een significant voordeel, met name in de korte, intense vuurgevechten die bij de bevrijding van bebouwd gebied regelmatig voorkwamen.
Bij de bevrijding van Nederland droegen Britse en Canadese infanteristen de Lee-Enfield als hun persoonlijke wapen door de smalle straten van Nederlandse steden en dorpen, over de dijken van Zeeland en langs de oevers van de grote rivieren. Het geweer was betrouwbaar in de modderige en natte omstandigheden van het Nederlandse polderlandschap, een eigenschap die in de praktijk van de bevrijdingsstrijd zwaar woog.
Voor de Nederlandse burgerbevolking was de Lee-Enfield het gezicht van de Britse en Canadese bevrijder, het wapen dat de soldaat op zijn schouder droeg toen hij binnenkwam in een stad of dorp dat eindelijk vrij was. In museale collecties staat het geweer naast de Amerikaanse M1 Garand en de Duitse Kar98k als drie kanten van dezelfde infanteriestrijd, elk vertellend over de mensen die het droegen en de keuzes die zij maakten.