Noodgeld was tijdens de Tweede Wereldoorlog een tijdelijke of door de bezetter ingevoerde valuta die in omloop werd gebracht wanneer het reguliere geldstelsel niet kon functioneren of wanneer de bezetter het financiële systeem van een bezet land wilde controleren. In Nederland nam noodgeld verschillende vormen aan tijdens de bezettingsjaren, elk met hun eigen betekenis voor de economische werkelijkheid van de bevolking.
Na de inval in mei 1940 bleef de Nederlandse gulden aanvankelijk in omloop, maar de bezetter introduceerde al snel maatregelen die de Nederlandse economie integreerden in de Duitse oorlogseconomie. De wisselkoers tussen de Rijksmark en de gulden werd kunstmatig vastgesteld in het voordeel van Duitsland, waardoor Nederlandse goederen en grondstoffen effectief goedkoop konden worden opgekocht door de bezetter. Die financiële uitbuiting was minder zichtbaar dan razzia’s of voedseltekorten maar had op de lange termijn een verwoestend effect op de Nederlandse economie.
In de laatste bezettingswinter van 1944 op 1945 ontstonden in sommige bevrijde gebieden en in de chaos van de naderende bevrijding lokale vormen van noodgeld. Gemeenten, bedrijven en soms individuele organisaties gaven tijdelijke betaalmiddelen uit omdat het reguliere financiële systeem was ontwricht. Die lokale noodmunten en noodbiljetten hadden een beperkte geldigheid en een beperkt vertrouwen, maar in een economie die al jaren door schaarste en bezetting was uitgehold, waren zij soms het enige beschikbare betaalmiddel.
Voor de gewone Nederlander was geld tijdens de bezetting een steeds abstracter concept geworden. Wat kon je kopen zonder distributiebonnen, hoe veel was een gulden nog waard als de winkels leeg waren en de zwarte markt zijn eigen prijzen stelde? De waarde van geld werd ondermijnd door schaarste en door het verlies van vertrouwen in een economisch systeem dat volledig in dienst stond van de bezetter. Mensen ruilden steeds vaker goederen tegen goederen, waarbij voedsel en brandstof de werkelijke valuta van de bezettingseconomie werden.
Na de bevrijding was de financiële sanering van Nederland een van de eerste prioriteiten van de terugkerende Nederlandse regering. Oude bankbiljetten werden tijdelijk geblokkeerd en inwisselbaar gesteld voor nieuwe, als maatregel om de enorme hoeveelheid geld die tijdens de bezetting in omloop was gebracht te controleren en de economie te stabiliseren.