De Britse marine, officieel de Royal Navy, speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog een rol in de Nederlandse wateren die minder zichtbaar was dan de gevechten op het land maar even bepalend voor de uitkomst van de bevrijding. Van de mijnenveegoperaties in de Westerschelde tot de ondersteuning van amfibische landingen op de Zeeuwse eilanden: de Royal Navy was aanwezig op cruciale momenten in de bevrijding van Nederland, vaak op plaatsen en manieren die in de herinneringscultuur minder aandacht hebben gekregen dan de grondoperaties.
Na de bevrijding van Antwerpen op 4 september 1944 was de haven weliswaar intact maar volledig onbruikbaar zolang de Westerschelde in Duitse handen was. De tachtig kilometer lange vaargeul van de haven naar de Noordzee was bezaaid met mijnen en bewaakt door Duitse artilleriebatterijen op de Zeeuwse oevers. Het vrijmaken van die vaargeul was een taak die zonder de Royal Navy niet kon worden volbracht.
Mijnenveegschepen van de Royal Navy begonnen direct na de bevrijding van de Scheldemonding met het gevaarlijke werk van het ruimen van de duizenden mijnen die de Kriegsmarine had gelegd. Elke mijn die werd geruimd was een stap dichter bij het moment waarop de eerste geallieerde konvooien de haven van Antwerpen konden bereiken. Op 28 november 1944, bijna drie maanden na de bevrijding van de haven, voer het eerste bevoorradingskonvooi eindelijk de Schelde op onder geleide van Royal Navy escorteschepen, een moment dat de logistieke basis legde voor de verdere bevrijding van Nederland.
Bij de amfibische operaties op Walcheren in november 1944 leverden Royal Navy landingsvaartuigen de Canadese infanterie aan de stranden van een eiland dat door de geallieerden zelf onder water was gezet. Onder beschietingen van nog actieve Duitse batterijen brachten de bemanningen van de landingsvaartuigen golf na golf soldaten aan land, een operatie die de moed vroeg van zeelieden die wisten dat zij doelwit waren zolang de batterijen niet waren uitgeschakeld.