Voor de Nederlandse piloten die na de capitulatie van mei 1940 naar Engeland waren ontkomen, was de Britse luchtmacht meer dan een werkgever. Het was de organisatie die hen in staat stelde door te vechten voor een land dat zij van bovenaf konden zien maar niet konden betreden, een paradox die het leven van de Nederlandse vliegeier in ballingschap kenmerkte en die nooit volledig werd opgelost zolang de bezetting duurde.
De weg naar Engeland was voor de meeste Nederlandse piloten lang en gevaarlijk geweest. Sommigen waren na de capitulatie via Frankrijk ontsnapt, anderen hadden maanden of jaren gewacht op een gelegenheid om te vluchten via Spanje, Zwitserland of via de Noordzee in kleine bootjes. Wie Engeland bereikte, werd ondergebracht bij de RAF en ingedeeld bij Nederlandse squadrons of bij gemengde eenheden waar zij naast Britse, Australische en Poolse piloten vlogen.
Het leven als Nederlandse piloot bij de RAF was doordrongen van een spanning die hun Britse collega’s niet kenden: de spanning van het vliegen boven je eigen bezette land. Wanneer een Nederlandse piloot in zijn Spitfire of Hurricane boven de Nederlandse kust vloog, keek hij neer op een land waar zijn familie woonde, waar zijn vrienden leefden en waar mensen die hij kende dagelijks de gevolgen van de bezetting ondergingen. Die nabijheid, visueel maar onbereikbaar, maakte elke missie boven Nederlands grondgebied tot een persoonlijke ervaring die ver uitsteeg boven de militaire opdracht.
Sommige Nederlandse piloten werden neergeschoten boven bezet Nederland en belandden midden in een land dat zij probeerden te bevrijden maar waar zij nu afhankelijk waren van de hulp van vreemden om te overleven. Die omgekeerde afhankelijkheid, de bevrijder die zelf hulp nodig had van de bezette bevolking, verbond de piloten in ballingschap op een directe en persoonlijke manier met de mensen op de grond die zij nooit hadden ontmoet maar voor wie zij vlogen.