Voor de individuele soldaat die dagelijks met een jerrycan werkte was het object geen strategisch instrument maar een zwaar, onhandig en onmisbaar onderdeel van het dagelijks leven in het veld. Een volle jerrycan van twintig liter woog ruim twintig kilogram, genoeg om een man bij langdurig dragen serieus te belasten. Toch werden ze constant verplaatst, van bevoorradingsvoertuigen naar opslagpunten, van opslagpunten naar voertuigen en van voertuigen naar de tanks en generatoren die ze nodig hadden.
De drie grepen aan de bovenkant van de jerrycan waren geen toevallig ontwerp maar een doordachte oplossing voor een praktisch probleem. Eén soldaat kon twee volle cans tegelijk dragen, één in elke hand, of twee mannen konden samen vier cans dragen door de middelste greep te gebruiken als gemeenschappelijk draagpunt. Die efficiëntie in het transport was essentieel wanneer brandstof snel moest worden verplaatst van een vrachtwagen naar een tank die op het punt stond droog te rijden.
Bij de bevrijding van Nederland werkten brandstofteams achter de frontlinie non-stop om voertuigen bevoorraad te houden. Een Sherman tank verslond bij intensief gebruik tientallen liters brandstof per uur, en een stilstaande tank was een dood gewicht dat de opmars vertraagde. Soldaten die de brandstoflogistiek beheerden leerden snel een eigen ritueel: tellen hoeveel cans er nog waren, schatten hoeveel er nodig waren en beslissen wanneer er bijgevuld moest worden voordat het te laat was.
In het Nederlandse polderlandschap, waar wegen smal waren en voertuigen soms letterlijk vaststonden in de modder, werd de jerrycan soms het enige praktische middel om brandstof van de weg naar een vastgelopen voertuig te brengen. Een rij soldaten die ieder twee cans droegen door een drassig weiland naar een tank die honderd meter van de weg in de modder stond, was een beeld dat de alledaagse werkelijkheid van de bevrijdingslogistiek perfect samenvatte.