Het Britse leger, de British Army, speelde tijdens de Tweede Wereldoorlog een centrale rol in de bevrijding van West-Europa en was voor Nederland een van de meest directe bevrijdende krachten. Waar het Amerikaanse leger vooral in het zuiden van Nederland actief was, trokken Britse en Canadese eenheden door grote delen van het midden en noorden van het land op weg naar de eindoverwinning.
Na de catastrofale terugtocht bij Duinkerken in mei 1940, waarbij het Britse expeditieleger zijn zware uitrusting moest achterlaten op de Franse stranden, begon een moeizame herbewapening en reorganisatie die jaren zou duren. Onder leiding van generaals als Bernard Montgomery transformeerde de British Army zich van een defensief ingesteld koloniale strijdmacht tot een modern gemechaniseerd leger dat in staat was grootschalige offensieve operaties uit te voeren. Die transformatie werd duidelijk zichtbaar bij de overwinning in Noord-Afrika in 1943 en later bij de invasie van Italië en uiteindelijk bij D-Day in juni 1944.
Bij de bevrijding van Nederland was de British Army op meerdere fronten aanwezig. Het Britse XXX Corps speelde een hoofdrol bij Operatie Market Garden in september 1944, met de opdracht via een smalle corridor door Eindhoven en Nijmegen door te stoten naar Arnhem. De Britse 1st Airborne Division landde bij Arnhem en vocht negen dagen lang in een hopeloze positie voordat de overlevenden werden teruggetrokken. In Zeeland werkten Britse eenheden samen met Canadezen bij de Slag om de Schelde, en in de laatste oorlogsmaanden trokken Britse troepen door Overijssel en Groningen richting de Duitse grens.
Voor de Nederlandse bevolking hadden de Britse soldaten een eigen karakter en cultuur die hen onderscheidde van de Amerikanen en Canadezen. De verhouding tussen de bevrijders en de bevolking was persoonlijk en direct: in de huizen waar soldaten waren ingekwartierd, aan de keukentafels waar thee werd gedronken en in de straten waar kinderen Engelse woorden leerden van de mannen die waren gekomen om hun land te bevrijden.