In de winter van 1944 op 1945 bevroor het Nederlandse rivierengebied vast in een patstelling die maanden zou duren. Aan weerszijden van de Maas, de Waal en de Rijn lagen soldaten ingegraven in loopgraven en schuttersputten, wachtend op een doorbraak die niet kwam. Voor de mannen in die greppels was de loopgraaf niet alleen een militaire positie maar een tijdelijke wereld op zichzelf, vol modder, kou en de voortdurende dreiging van mortiervuur.
Het Nederlandse polderlandschap stelde bijzondere eisen aan het graven van loopgraven. De bodem was zacht en waterrijk, waardoor schuttersputten al snel volliepen met grondwater. Soldaten die zich ingroeven langs rivierdijken en in de uiterwaarden stonden soms kniediep in het water, zonder mogelijkheid de put droog te houden. Bevriezing van de grond in de strengste winterweken maakte graven tijdelijk makkelijker maar bracht nieuwe gevaren: bevroren handen, voeten en de dodelijke combinatie van nattigheid en vrieskou die leidde tot loopgravenvoet, een aandoening waarbij de doorbloeding van de voeten zo ernstig werd beschadigd dat amputatie soms onvermijdelijk was.
Canadese, Britse en Amerikaanse eenheden die in dit gebied lagen, wisselden af tussen actieve patrouilles en lange periodes van wachten. ’s Nachts werden verkenningspatrouilles uitgestuurd om de vijandelijke stellingen in kaart te brengen, gevechtsgroepen staken het niemandsland over voor gevangenen en informatie, en artillerie aan beide zijden beschoot elkaar in een ritme dat het dagelijks leven in de loopgraaf bepaalde.
Voor de burgerbevolking in de frontzone was de aanwezigheid van loopgraven in hun eigen weilanden en tuinen een surreële ervaring. Boerderijen werden commandoposten, koeien graasden tussen prikkeldraadversperringen en de grond die generaties lang was bewerkt voor voedsel, werd omgeploegd voor oorlog. Na de bevrijding bleven de sporen van die maanden lang zichtbaar in het landschap, als stille getuigen van de winter waarin de bevrijding stil leek te staan.