De Luftwaffe was de luchtmacht van nazi-Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Opgericht in 1935, officieel in strijd met het Verdrag van Versailles, groeide zij in korte tijd uit tot een van de machtigste luchtmachten ter wereld. Onder leiding van Rijksmaarschalk Hermann Göring speelde de Luftwaffe een centrale rol in de vroege Duitse militaire successen, maar verloor zij in de loop van de oorlog steeds meer terrein aan de geallieerde luchtmachten.
Bij de inval in Nederland in mei 1940 was de Luftwaffe bepalend voor het verloop van de strijd. Jagers en bommenwerpers ondersteunden de grondtroepen, transportvliegtuigen zetten parachutisten af bij strategische doelen en het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 dwong Nederland tot capitulatie. De Nederlandse Militaire Luchtvaart, klein en verouderd, kon geen serieuze weerstand bieden tegen de overweldigende overmacht. In vijf dagen was de Nederlandse luchtruimte volledig in handen van de Luftwaffe.
Gedurende de bezettingsjaren nam de Luftwaffe Nederlandse vliegvelden in gebruik als operationele bases. Schiphol, Soesterberg, Woensdrecht en andere velden werden uitgebreid en ingericht voor Duitse jagers en bommenwerpers die operaties uitvoerden boven de Noordzee en dieper in bezet Europa. Voor de Nederlandse bevolking betekende dit dat de lucht boven hun hoofd voortdurend in gebruik was door de bezetter, een tastbare uiting van de bezetting die ook letterlijk zichtbaar was.
Naarmate de oorlog vorderde, verschoof de balans in de lucht steeds verder ten nadele van de Luftwaffe. De productiecapaciteit van de geallieerden overtrof die van Duitsland ruimschoots, ervaren piloten raakten niet te vervangen en brandstoftekorten beperkten de inzetbaarheid van de vloot. Bij de bevrijding van Nederland in 1944 en 1945 was de Luftwaffe een fractie van haar vroegere kracht. Geallieerde jagers beheersten het luchtruim boven de oprukkende troepen, wat de bevrijding aanzienlijk vergemakkelijkte en de opmars versnelde.
De neergang van de Luftwaffe illustreert een breder patroon van de oorlog: de vroege Duitse overmacht die door industriële en logistieke uitputting steeds verder wegsmolt, totdat de bezetter die ooit de lucht boven Nederland domineerde, niet langer in staat was zijn eigen grondtroepen te beschermen.