Het opruimen van mijnen was tijdens en na de Tweede Wereldoorlog een van de gevaarlijkste en meest tijdrovende taken waarmee geallieerde pioniersonderdelen en later civiele ontmijningsdiensten werden geconfronteerd. Mijnen, goedkoop te produceren en eenvoudig te plaatsen, waren buitengewoon moeilijk en gevaarlijk te verwijderen, en hun aanwezigheid kon gebieden maandenlang of zelfs jaren onbegaanbaar maken nadat de gevechten al lang waren voorbij.
De Duitsers legden tijdens de bezetting en bij hun terugtocht miljoenen mijnen in Nederland. Langs de kust, als onderdeel van de Atlantikwall, lagen uitgestrekte mijnenvelden die geallieerde landingen moesten voorkomen. In de rivierengebieden werden antitankmijnen gelegd om de opmars van geallieerde pantserwagens te vertragen, en antipersoneelsmijnen beschermden de antitankwapens tegen infanterie die ze probeerde te ruimen. Bij de terugtocht plaatsten Duitsers mijnen op wegen, bij bruggen en in gebouwen als achterhoedewapen dat de opmars van de bevrijders zou vertragen en die bij ontdekking levens zou kosten.
Voor de geallieerde pioniersonderdelen die de opmars voorbereidden was het opruimen van mijnen een dagelijkse en levensbedreigende taak. Mijnenzoekers met metaaldetectoren zochten systematisch de grond af voor de opmarsroutes, terwijl anderen handmatig met een sonde de bodem afzochten op niet-metalen mijnen die de detector niet kon vinden. Elke beweging moest uiterst voorzichtig zijn: een verkeerde stap of een onbedachtzame handeling kon de mijn activeren en de ontmijner doden of ernstig verwonden. Die combinatie van concentratie, geduld en voortdurende angst maakte ontmijning tot een van de meest psychologisch belastende taken van de bevrijdingsstrijd.
Na de bevrijding in mei 1945 bleek de omvang van het mijnprobleem in Nederland enorm. Stranden die voor de oorlog vrij toegankelijk waren geweest, lagen bezaaid met mijnen die systematisch moesten worden opgeruimd voordat de bevolking er veilig kon komen. Boeren die naar hun land wilden terugkeren, ontdekten dat hun akkers waren vermijnd tijdens de bezetting of de gevechten. Kinderen die na de bevrijding buiten speelden, werden gewaarschuwd voor de gevaren van onontplofte munitie en mijnen die nog jarenlang in het Nederlandse landschap verborgen lagen.