Een razzia was tijdens de Duitse bezetting van Nederland een plotselinge, grootschalige actie waarbij de bezetter een bepaald gebied, een straat, een wijk of een stad afzette en systematisch doorzocht om mensen op te pakken. De term werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland gangbaar als aanduiding voor deze gedwongen aanhoudingen op grote schaal, uitgevoerd door de Duitse bezetter al dan niet in samenwerking met Nederlandse politie of NSB-leden.
Razzia’s werden ingezet voor verschillende doeleinden. De vroegste en meest systematische razzia’s waren gericht op de joodse bevolking. In februari 1941 vond in Amsterdam de eerste grote razzia plaats waarbij meer dan 400 joodse mannen werden opgepakt en gedeporteerd naar concentratiekampen. Die razzia leidde tot de Februaristaking, een unieke daad van massaal burgerlijk verzet waarbij Amsterdamse arbeiders het werk neerlegden uit protest tegen de deportaties. Naarmate de bezetting vorderde, werden razzia’s steeds frequenter en troffen ze steeds bredere groepen: naast joodse Nederlanders ook mannen die werden opgepakt voor dwangarbeid in Duitsland, verzetsmensen en willekeurige burgers als represaille na aanslagen op de bezetter.
De Arbeitseinsatz-razzia’s van 1944 en 1945 troffen honderdduizenden Nederlandse mannen. In bezet gebied werden straten en buurten plotseling afgezet, waarna alle mannen van een bepaalde leeftijd werden meegenomen voor tewerkstelling in de Duitse oorlogsindustrie. De willekeur en de plotselinge aard van deze acties zaaide diepe angst in de bevolking. Mannen die de straat op gingen voor boodschappen of werk, kwamen soms niet meer thuis.
De dreiging van razzia’s had een directe invloed op het gedrag van de bevolking en op de omvang van het onderduikfenomeen. Naarmate razzia’s frequenter werden, kozen meer mensen ervoor onder te duiken. Families bespraken vluchtroutes, buren waarschuwden elkaar bij naderende Duitse patrouilles en het netwerk van schuiladressen groeide. De razzia was daarmee niet alleen een instrument van terreur maar ook een drijvende kracht achter het massale onderduiken dat Nederland tijdens de bezetting kenmerkte.
Voor de mensen die werden opgepakt, betekende een razzia het begin van een onzekere en vaak fatale weg: naar werkkampen, doorgangskampen of concentratiekampen. Voor de achterblijvers betekende het wachten, onzekerheid en vaak jaren van niet weten wat er met hun familielid was gebeurd.