Voor de mensen die tijdens de Duitse bezetting een onderduiker in huis namen, begon alles met een keuze die in werkelijkheid vaak helemaal geen keuze voelde. Een buurvrouw die aanklopte met een huilend kind, een dominee die vroeg of er ruimte was voor iemand die nergens anders terecht kon, een familielid dat op de vlucht was voor de razzia die die ochtend zijn straat had getroffen: de omstandigheden die mensen tot onderdaakgever maakten waren zelden abstract en moreel maar concreet en menselijk. Het was niet een principe dat om hulp vroeg maar een mens van vlees en bloed die nergens anders naartoe kon.
Eenmaal begonnen was er geen eenvoudige weg terug. Een onderduiker die al weken in de schuilplaats zat, kon niet zomaar worden gevraagd te vertrekken als de angst te groot werd of de situatie te riskant. De onderdaakgever en de onderduiker waren aan elkaar gebonden door de omstandigheid die hen had samengebracht, en die binding werd versterkt naarmate de weken maanden werden en de maanden in sommige gevallen jaren.
Het dagelijks leven in een huis met een onderduiker was een constante oefening in waakzaamheid en toneelspelen. Bij een bezoek van buren moest alles normaal lijken: geen extra borden op tafel, geen ongewone geluiden van boven, geen zenuwachtige blikken wanneer iemand vroeg hoe het ging. Kinderen moesten worden ingefluisterd dat zij nooit mochten vertellen wat er thuis gebeurde, een last die op jonge schouders zwaar woog maar die door veel kinderen met een ernst werd gedragen die hun leeftijd oversteeg.
De spanningen die een schuiladres met zich meebracht waren niet alleen van buitenaf. In de beperkte ruimte van een woning, met mensen die elkaar voor de bezetting nauwelijks of niet kenden, ontstonden onvermijdelijk fricties. Gewoonten die botsten, angsten die zich op de verkeerde manier uitten en de constante druk van het gevaar die iedereen anders verwerkte: die spanningen werden zelden in de naoorlogse verhalen over het verzet verteld maar waren een realiteit die het schuiladres mede definieerde.
Na de bevrijding bleven de banden die op schuiladressen waren gesmeed soms een leven lang bestaan. Familiebezoeken, brieven en de stille dankbaarheid die nooit helemaal in woorden kon worden uitgedrukt: die naoorlogse verbindingen tussen onderdaakgevers en onderduikers zijn een van de meest menselijke erfenissen van de bezetting