De Royal Air Force, afgekort RAF, was tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen de luchtmacht van Groot-Brittannië, maar ook de thuisbasis van honderden Nederlandse vliegeniers die vanuit ballingschap bleven vechten voor een bezet vaderland. Na de capitulatie van Nederland in mei 1940 wisten een aantal Nederlandse militaire piloten via Frankrijk of rechtstreeks Engeland te bereiken. Daar sloten zij zich aan bij de RAF, omdat de Nederlandse luchtmacht in ballingschap geen zelfstandige operationele capaciteit had om grootschalig op te treden.
Nederlandse piloten vlogen binnen de RAF in speciaal opgerichte Nederlandse squadrons, waarvan No. 320 en No. 321 Squadron de bekendste waren. Zij voerden verkennings- en aanvalsmissies uit boven de Noordzee, bezet Europa en soms rechtstreeks boven Nederland. Voor deze mannen had elke vlucht boven hun eigen land een dubbele lading: zij waren tegelijk militair en balling, strijdend voor een land dat zij van bovenaf konden zien maar niet konden betreden.
De ervaringen van Nederlandse RAF-piloten raakten ook direct aan het leven op de grond. Wanneer een toestel boven bezet Nederland werd neergeschoten, belandde de piloot midden in vijandelijk gebied. Sommigen werden direct gevangengenomen, anderen doken onder met hulp van het verzet. Ontsnappingsroutes, ook wel escape lines genoemd, werden door verzetsmensen opgezet om neergeschoten geallieerde vliegeniers terug naar Engeland te brengen. Een kompas, valse papieren en een netwerk van betrouwbare onderduikadressen waren daarbij onmisbaar.
Naast de gevechtstaak speelde de RAF een cruciale rol in de ondersteuning van het Nederlandse verzet via wapendroppings en in de humanitaire operaties aan het einde van de oorlog. Operatie Manna in april en mei 1945, waarbij RAF Lancaster bommenwerpers voedselpakketten dropten boven het uitgehongerde westen van Nederland, staat in de Nederlandse herinnering als een van de meest ontroerende momenten van de hele oorlog. Voor de Nederlandse piloten binnen de RAF was die operatie een bijzonder moment: eindelijk konden zij iets terugdoen voor de bevolking die zij jaren niet hadden kunnen bereiken.