Een schuttersput was de meest elementaire en meest persoonlijke verdedigingspositie van de infanterist: een gat in de grond, net groot genoeg voor één of twee man, gegraven met een schep die standaard deel uitmaakte van de individuele uitrusting. Geen architect had hem ontworpen, geen ingenieur had hem berekend. De schuttersput was het product van uitputting, angst en het instinct om te overleven in een wereld waar elk stukje grond boven het maaiveld een doelwit was.
Het graven van een schuttersput was een van de eerste dingen die een infanterist deed bij elke halt, of het nu ging om een korte rustpauze of een langdurige verdedigingspositie. De doctrine was duidelijk: stop nooit, graaf altijd. Een man die stil zat zonder te graven was een man die zijn eigen dood accepteerde. De schep ging in de grond zodra de beweging ophield, en het graven ging door totdat de put diep genoeg was om staand dekking te bieden tegen geweervuur en granaatscherven.
In het Nederlandse polderlandschap van de winter van 1944 op 1945 was graven een bijzondere beproeving. De waterrijke bodem zorgde ervoor dat schuttersputten al snel volliepen met grondwater. Een soldaat die een put groef langs de Maas of in de uiterwaarden van de Waal stond na enkele uren kniediep in ijskoud water, te koud om te slapen, te uitgeput om lang wakker te blijven. Die combinatie van nattigheid, kou en slaaptekort eiste zijn tol in de vorm van bevriezingsverschijnselen en ziektes die net zo effectief waren als vijandelijk vuur.
Maar de schuttersput was ook een toevluchtsoord. In de chaos van een artilleriebeschietig of een mortiersalvo was het gat in de grond de enige plek waar een soldaat zich veilig kon voelen. De aarde boven het maaiveld dreunde en scheurde, maar de man in zijn put overleefde wat buiten hem verwoesting zaaide. Die paradox, dat veiligheid werd gevonden in de aarde zelf, maakte de schuttersput tot het meest intieme object van de infanterieoorlog, een tijdelijk thuis in een wereld die alle andere huizen had vernietigd.