De Duitse invasie van Nederland in mei 1940 duurde slechts vijf dagen, een snelheid die zowel de Nederlanders als de internationale gemeenschap verbijsterde. Maar die snelheid was geen toeval: zij was het resultaat van een doordachte militaire strategie die specifiek was ontworpen om de Nederlandse verdediging te omzeilen, te verlammen en te overweldigen voordat zij effectief weerstand kon bieden.
De kern van de Duitse strategie was de gelijktijdige aanval op meerdere niveaus. Terwijl reguliere infanterie en pantserdivisies vanuit het oosten de Nederlandse grens overstaken en de aandacht van het Nederlandse leger trokken, werden elders de beslissende slagen geslagen. Fallschirmjäger landden bij strategische doelen diep in het Nederlandse achterland: de bruggen bij Moerdijk en Dordrecht die de verbinding vormden tussen het zuiden en het noorden van het land, het vliegveld Waalhaven bij Rotterdam dat direct werd omgebouwd tot aanvoerbasis voor versterkingen, en in Den Haag waar een poging werd gedaan de Nederlandse regering en het koninklijk huis gevangen te nemen.
Die gelijktijdige aanval op de communicatielijnen en het politieke centrum van Nederland creëerde een verwarring en fragmentatie van het commando die het Nederlandse leger nooit volledig te boven is gekomen. Eenheden die bereid waren te vechten, konden geen coherente verdediging organiseren omdat de verbindingen tussen de verschillende delen van het leger waren doorgesneden. De Grebbeberg verdediging was taai en kostte de Duitsers aanzienlijke verliezen, maar kon de bredere militaire situatie niet keren.
De luchtmacht speelde een beslissende rol die Nederland geen antwoord op had. De Nederlandse Militaire Luchtvaart, met haar verouderde vliegtuigen en beperkte aantallen, was binnen de eerste uren van de invasie vrijwel volledig uitgeschakeld. Zonder luchtdekking waren Nederlandse grondposities kwetsbaar voor aanvallen van Stuka duikbommenwerpers die elke concentratie van troepen of materieel konden aanvallen zonder effectieve tegenstand te ondervinden.
Het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 was het eindpunt van een militaire situatie die al hopeloos was geworden. De dreiging van verdere bombardementen op andere steden, gecombineerd met de militaire realiteit van een omsingeld en versnipperd leger, maakte de capitulatie onvermijdelijk.