Voor de mensen die de meidagen van 1940 meemaakten, begon alles met een geluid. In de vroege ochtend van 10 mei, terwijl het nog donker was, hoorden Nederlanders in de steden en op het platteland het onmiskenbare gebrom van vliegtuigmotoren, gevolgd door explosies die dichter bij kwamen dan ooit tevoren. Mensen die wakker werden van het lawaai en naar buiten keken, zagen iets wat zij nog nooit hadden gezien: vliegtuigen met hakenkruisen op de vleugels die laag over hun daken vlogen, en aan de horizon de oranje gloed van brandende gebouwen.
De eerste uren waren een mengeling van verwarring, angst en ongeloof. Nederland had geprobeerd neutraal te blijven, zoals in de Eerste Wereldoorlog, en velen hadden zichzelf overtuigd dat die neutraliteit zou worden gerespecteerd. De realiteit die die ochtend binnenbrak was een directe en brutale ontkenning van die hoop. Radiozenders die nog functioneerden brachten fragmentarische berichten over para’s die waren geland bij de bruggen bij Moerdijk, over gevechten bij Den Haag en over de Duitsers die vanuit het oosten de grens waren overgestoken.
Voor gezinnen in steden als Rotterdam en Den Haag betekenden de vijf meidagen een abrupte breuk met het gewone leven. Kinderen werden thuisgehouden van school, winkels sloten hun deuren en mensen vulden badkuipen met water voor het geval de waterleiding zou worden geraakt. Mannen die in het leger hadden gediend of nog in dienst waren, werden opgeroepen of vertrokken op eigen initiatief naar hun eenheden, wetende dat zij misschien hun families voor lange tijd achterlieten.
De capitulatie op 15 mei 1940, nadat Rotterdam was gebombardeerd en de dreiging van verdere vernietiging reëel was geworden, trof de bevolking als een schok. Vijf dagen hadden velen gevochten, gevlucht of gewacht in de hoop dat het tij zou keren. Nu moest worden geaccepteerd wat onacceptabel leek: Nederland was bezet, en niemand wist hoe lang dat zou duren of wat het zou betekenen voor het leven dat zij kenden.