Op 6 juni 1944 stapten tienduizenden jonge mannen uit landingsvaartuigen in het koude water voor de Franse kust en liepen onder hevig vuur de stranden van Normandië op. Voor velen was het de eerste keer dat zij in een echt gevecht waren. Voor sommigen was het de laatste dag van hun leven. Wat zij meemaakten in die uren op het strand was zo intensief en traumatisch dat veel overlevenden er pas decennia later over konden praten, als zij er al over spraken.
De vijf landingsstranden, Utah, Omaha, Gold, Juno en Sword, verschilden sterk in wat de mannen aantroffen. Op Utah verliepen de landingen relatief soepel. Op Omaha was de situatie catastrofaal. Amerikaanse soldaten stapten uit hun landingsvaartuigen in water dat te diep was, verzwaard door hun uitrusting, beschoten door goed ingegraven Duitse mitrailleurs op de kliffen boven hen. Wie het water overleefde, lag op een open strand zonder dekking, terwijl de mannen naast hen werden neergeschoten. Compagnies verloren in minuten de helft van hun manschappen. Toch bleven soldaten naar voren gaan, niet door orders maar door het instinct dat stilstaan de dood betekende.
Op de Canadese stranden Juno landden mannen die voor een deel afkomstig waren uit dezelfde kleine steden en dorpen die zij later zouden helpen bevrijden in België en Nederland. Voor hen had de landing een extra dimensie: zij vochten zich een weg naar een bevrijding die uiteindelijk ook hun eigen vaderland zou bereiken.
De verhalen van de mannen die de Normandische landing overleefden, zijn in de decennia daarna zorgvuldig verzameld door historici, journalisten en musea. Die persoonlijke getuigenissen vormen de menselijke kern van wat anders een abstracte militaire operatie zou blijven. Ze herinneren eraan dat achter elk strategisch besluit mensen stonden die bang waren, die twijfelden en die desondanks vooruit gingen.